2/6/2007

Venezuela en de vrije meningsuiting: vier leugens, vier antwoorden

Enkele maanden geleden kondigde de Venezolaanse president aan dat de Bolivariaanse regering de uitzendlicentie van tv-station RCTV niet zou vernieuwen.

Sindsdien is er wereldwijd een bijtende mediacampagne bezig die Hugo Chavez beschuldigt van het muilkorven van de persvrijheid om “de oppositie het zwijgen op te leggen”.

Veel kranten zingen datzelfde deuntje, hoewel de onderliggende argumenten op valse veronderstellingen zijn gebaseerd. Een veel voorkomende aantijging is dat de Venezolaanse overheid een van de weinige privé-zenders heeft uitgeschakeld waardoor een van de weinige onafhankelijke informatiebronnen de mond is gesnoerd. De reden daarvoor is zogezegd dat het tv-station “een obstakel was voor het populistische project van Chavez”. Dit zijn valse beschuldigingen die we makkelijk kunnen ontmaskeren.

1-“Hugo Chavez heeft RCTV gesloten.”?

Hugo Chavez heeft RCTV niet gesloten. RCTV mocht zijn programma’s uitzenden via tv-frequenties die publiek bezit zijn en die gedurende bepaalde periodes door de overheid worden toegekend aan deze of gene tv-station.
Bij het aflopen van de licentie op 28 mei is die niet vernieuwd. De Venezolaanse wet (net zoals de wet van elk ander land) bepaalt helemaal niet dat de overheid bepaalde tv-frequenties constant aan dezelfde bedrijven moet toekennen. De overheid mag kiezen. En we zullen hieronder uitleggen waarom de Bolivariaanse regering besliste de licentie van RCTV niet te vernieuwen.

2-“RCTV is een van de weinige privé-zenders in Venezuela.”?

Volgens een officieel rapport van het Venezolaanse ministerie van Communicatie en Informatie in juni 2006, is een grote meerderheid van de massamedia (tv-, radiostations en kranten) vandaag in privé-handen.
In de televisiesector in het bijzonder is 90 procent van de markt in handen van vier privé-zenders: RCTV, Globovision, Televen en Venevision.
De eigenaar van RCTV, Marcel Granier, bezit nog veertig tv-stations over heel Venezuela (meestal lokale tv-stations). Concreet zijn 79 op een totaal van 81 tv-kanalen (97 procent) in privé-handen; 706 van de 709 radiozenders (99 procent) en alle 118 kranten zijn in handen van de privé.

3-“RCTV was een obstakel voor het populistische project van Chavez.”?

Het ligt niet in de bedoeling van dit artikel om het project van Chavez te definiëren. Niettemin is het opmerkelijk dat media die toebehoren aan lokale ondernemers de neiging vertonen om elk politiek project als “populistisch” te bestempelen wanneer het zich niet baseert op steun voor en aanvaarding van de uitbuiting van arbeid.

Wanneer gezegd wordt dat RCTV een obstakel was voor het beleid van de Bolivariaanse regering, dan moet men ook duidelijk uitleggen in welke zin.
De waarheid is dat RCTV direct en openlijk betrokken was in de staatsgreep van 11 april 2002, die probeerde de democratisch verkozen president Hugo Chavez af te zetten.
De deelname van RCTV aan de coup was zo openlijk dat de toenmalige productiemanager van RCTV, Andres Izarra, die tegen de coup was, snel zijn ontslag gaf om geen deel te hebben aan deze misdaad. In een officiële getuigenis aan het Venezolaanse parlement vertelde Izarra dat hij formele instructies van Granier had gekregen om de dag van de coup en de daarop volgende dagen geen nieuws uit te zenden over Chavez, zijn personeel, de ministers of eender wie verbonden was met de president.

Dat is ook wat gebeurde. RCTV vertelde enkel dat president Chavez ontslag had genomen (wat een grove leugen was aangezien hij door de coupplegers was ontvoerd). En toen twee dagen later miljoenen Venezolanen de straat op trokken om te eisen dat hun democratisch verkozen president zou terugkeren, zond RCTV enkel cartoons uit! Een Ierse reportersploeg die vastzat in het presidentieel paleis tijdens de staatsgreep, maakte met hun beeldmateriaal een inspirerend verslag van die dagen.
Deze documentaire draagt de betekenisvolle titel: ‘De revolutie zal niet worden uitgezonden’.

4-“Het uit de ether halen van RCTV betekent de mond snoeren van een van de weinige informatiebronnen die niet direct afhankelijk zijn van de staat.”?

Zoals we reeds uitlegden, is dit helemaal niet zo. De meerderheid van de Venezolaanse media staan openlijk aan de kant van de politieke oppositie. Het is een vreemde paradox dat in een land waar bijna twee derden van de bevolking de regering steunt (volgens de verkiezingen van december 2006), de overgrote meerderheid van de media actief campagne voeren tegen die regering. In 2002 moest zelfs Human Rights Watch, dat over het algemeen de campagne tegen de Venezolaanse regering steunt, toegeven dat “verre van aan eerlijke en juiste verslaggeving te doen, de media onvrede en woede onder de bevolking trachten uit te lokken om de harde oppositie te steunen.”
(Venezuela's Political Crisis, Human Rights News, Human Rights Watch, 9 oktober 2002)

Ondanks dit alles is de Venezolaanse regering zo tolerant geweest ten opzichte van de oppositiemedia dat geen tv-stations, radio’s of kranten werden gesloten. Enkel nu, na vijf jaar, heeft de regering beslist om de licentie van RCTV niet te vernieuwen.

Wij vragen u, welk ander ‘democratisch’ land zou accepteren dat een tv-zender die openlijk een staatsgreep steunt, verder kan uitzenden na de mislukking van die couppoging?
Welk ander land zou aanvaarden dat de eigenaar van zo’n tv-zender niet voor de rechtbank gedaagd wordt wegens die steun aan een staatsgreep?
In Italië bijvoorbeeld kon de eerste minister van een zogenaamd democratisch land, met name Berlusconi, via een ‘dictaat’ twee populaire journalisten (Biagi en Santoro) en een satirische acteur (Luttazzi) verbannen van de tv-schermen op zowel de openbare als de privé-zenders, enkel en alleen omdat ze zijn regering bekritiseerden!


Simon Bolivar zei dat een volk nooit vrij zou zijn als vrije meningsuiting niet wordt gegarandeerd. Dat is zeker en vast waar.

We moeten ons echter de vraag stellen of vrije meningsuiting werkelijk gegarandeerd wordt door een systeem waar de massamedia in handen zijn van een klein clubje rijke mensen en de belangen dienen van die enkelingen tegen de belangen van de meerderheid.

Alessandro Villari